

Onze hededaagse maatschappij moet hard denken alvorens te handelen.
Sommige boterhammen eten we te vlug op, anderen laten we gewoonweg liggen tot scha en schande.
Met lege brooddozen zullen we onze honger niet stillen. Nadenken mogen we niet laten verhongeren want dan zou de armoede pas compleet zijn..


In het boek ‘De Menigte, oorlog en democratie in de nieuwe wereldorde’, van Michael Hardt en Antonia Negri, uiten zij de mogelijkheid van een democratie op wereldschaal. Die mogelijkheid noemen zij het project van de menigte. Het geeft uitdrukking aan het verlangen naar een wereld waarin vrijheid en gelijkheid heersen. Hun project vraagt om een open en alles omvattende democratische wereldsamenleving maar voorziet ook in de middelen om dit te verwezenlijken. Het voornaamste obstakel is de staat van oorlog waarin de wereld zich bevindt. Omdat democratie en oorlog onverenigbare grootheden zijn en er voorlopig geen uitzicht is op de beëindiging van de oorlog krijgt de opschorting van de democratie een permanent karakter. De noodzaak aan democratie is nog nooit zo groot geweest als in de huidige conflictsituatie en tegelijkertijd zo onmogelijk te verwezenlijken.
De verlichtingsdenkers uit de 17de en de 18de eeuw hebben ook de mogelijkheid van een op vrijheid en gelijkheid gebaseerde democratie onderzocht en daartoe diverse politieke theorieën neergeschreven. Hun wereld bevond zich eveneens in een conflictsituatie, zij het van een andere orde dan die welke vandaag onze wereld beheerst. Op dat ogenblik waren de verschillende natiestaten zich aan het vormen en was de kolonisatie volop aan de gang. De nood aan verbetering van de politieke instituties was net zo groot als vandaag omdat de macht zich bevond bij een selecte groep van erfgerechtigden en bij de clerus. Door middel van vooroordelen werd het gewone volk onderdrukt en door de altijd aanwezige censuur en repressie, kreeg de intellectuele vrijheid amper voet aan de grond. De heersende machthebbers gebruikten het recht in hun voordeel zodat de mensen werden onderdrukt door hen te herleiden tot slaafse volgelingen van een op vooroordelen gebaseerde religie of een op godsdienst gebaseerde macht. De overtuiging dat een ander richtsnoer nodig was om de waarheid te ontsluiten en dat het inzicht in de menselijke natuur en het menselijk samenleven een politiek vereist die rekening houdt met de menselijke emotionaliteit, heeft de meeste verlichtingsdenkers ertoe gebracht de politiek van hun tijd sterk te veroordelen. Uitgaande van vrijheid en gelijkheid voor alle mensen en hun plaats die ze in de natuur innemen hebben, zeker de radicale verlichtingsdenkers, gekozen voor de democratie als beste staatsvorm. Hoewel heel wat landen één of andere vorm van democratie hebben, stellen Negri en Hardt in hun voorwoord dat de democratisering vertroebeld wordt en dat het democratiseringsproject van de moderne tijd onvoltooid is gebleven. De nog steeds toenemende globalisering lijkt de democratisering verder dan ooit te hebben weggeduwd. Ik heb daarom de idee opgevat om een aantal van de politieke theorieën van de verlichtingsdenkers te bestuderen om te achterhalen hoe zij hun democratiseringsgedachten hebben verwoord. Ik zal dit uitgebreid doen voor Spinoza, beperkter voor Condorcet en D’Holbach. J.J. Rousseau passeert ook even de revue omwille van de speciale plaats die hij binnen de verlichting inneemt en de invloed van Spinoza op zijn werk. Elementen uit de politieke filosofie van deze denkers kan ik dan confronteren met de beschrijving van Hardt en Negri in hun werk ‘De menigte’ over de huidige politieke omstandigheden, om zo tot een vergelijking en een persoonlijk besluit te komen. We kunnen dan vaststellen waar het project gefaald heeft maar tegelijk ook aangeven welke kostbare ideeën we in onze westerse samenleving hebben geïmplementeerd en waar de opening ligt om een vrije en democratische samenleving tot stand te brengen.
De wortels van onze democratie liggen volgens Jonathan Israel
Israël beschouwt het Spinozisme trouwens als de beste leverancier van een scherpe en brede argumentatie van verdraagzaamheid, gefundeerder dan om het even welke andere denker uit dezelfde periode.
Volgens Israël gaat deze onoplosbare tweespalt tussen radicale en gematigde verlichte denkers terug op de metafysische tweespalt tussen de leer van de ene substantie, het Spinozistisch monisme, en een twee-substantieleer zoals verdedigd door Locke, Voltaire, Hume. Hij spreekt daarom van dualistische verlichting en monistische verlichting of filosofisch unitarisme. Het is dit monistisch Spinozisme dat ijverde voor democratie en een seculiere moraalfilosofie gebaseerd op gelijkheid. Zo lezen we in het theologisch politiek traktaat dat het natuurlijk recht door de kracht van een ieder wordt bepaald en dat iemand die gedwongen of vrijwillig een deel van zijn macht afstaat aan een ander, ook zijn recht afstaat. De ander heerst dan bij macht en gratie van diegene die zijn macht en recht heeft afgestaan. Een dergelijke gemeenschap heeft het hoogste natuurlijk recht op alles en kan de ander dwingen te gehoorzamen. Dit hebben zij gedaan op aandrang van de rede. “Het recht van een dergelijke gemeenschap wordt democratie genoemd, die derhalve wordt gedefinieerd als een allen omvattende vereniging van mensen die gemeenschappelijk het hoogste recht heeft op alles wat zij vermag.”
In de voorrede van het Theologisch politiek tractaat stelt Spinoza dat de oorzaak van het ontstaan, voortduren en toenemen van bijgeloof (en dus vooroordelen) angst is. Als mensen heen en weer geslingerd worden tussen vrees en hoop, als de geest twijfelt, zijn ze erg gevoelig voor waanvoorstellingen en verbeelding. “De oorzaak dus het ontstaan, het voortduren en het toenemen van het bijgeloof is de angst.”
Spinoza’s verwoording van zijn begrip van democratie doet, zoals gesteld in de inleiding, sterk denken aan de omschrijving van de menigte die Hardt en Negri hanteren. Spinoza gebruikt expliciet het begrip multitude of menigte. De multitude is zoals uit bovenstaand citaat blijkt een aggregatie en emancipatieproces waarbij zelfs tirannie de uitdrukking wordt, niet van individuele macht, maar van collectieve vereniging. In Spinoza’s politieke filosofie worden de klassieke rollen van de tolerant of de soeverein en de getolereerde, de geregeerden (de velen, de essentie van een imperium) omgedraaid. De politieke instituties zijn de verticale herstructurering van de horizontale dynamiek van de potentia van de multitude. Het publieke karakter van de mensen wordt gestructureerd door overheersing. Macht is dan niets anders dan de manier waarop het gedrag van iemand anders kan gestuurd worden in een richting die in overeenstemming is met iemands streven naar zelfbehoud. Het gaat om substantiële relaties waar mensen altijd in verwikkeld zijn. Ze zijn variabel, dynamisch, in die zin dat als de macht van de multitude (de potentia) niet langer weerspiegeld wordt door de structuren, de structuren zelf in worden gesteld. Overheersing is de structurering van het publieke karakter van de mensen. Dit betekent dat de multitude zijn politieke macht behoudt ook nadat ze zichzelf gearticuleerd heeft in een verticale structuur.
Volgens Negri en Hardt heeft zich een nieuwe vorm van mondiale soevereiniteit zich gevormd die ze benoemen met de term ‘Empire’, ook de titel van een vorig boek van hen. Het gaat om een nieuwe mondiale orde, een netwerkmacht die zowel de natiestaten, de supranationale instituties, de grote kapitalistische ondernemingen en andere machten omvat. De huidige mondiale orde kunnen we immers niet langer begrijpen onder de vorm van soevereine natiestaten, hoewel de huidige politieke organisatie nog steeds de weerspiegeling daarvan is de Zij noemen het ontstane netwerk imperiaal, om een onderscheid te maken met imperialistisch. Dit begrip verwijst naar de periode in de geschiedenis, en de stijl in de kunst die zich ontwikkelde toen de Romeinse Republiek ophield te bestaan en Rome zijn gebieden uitbreidde en werd geregeerd door keizers. De samenstellende delen zijn ongelijk in macht maar zelfs de machtigste natiestaat kan geen internationale orde handhaven zonder samen te werken. Het Empire is een tendens en volgens hen tevens de enige machtsvorm die erin zal slagen om de huidige mondiale orde op duurzame wijze te handhaven. De huidige vredessituatie die zij aanduiden met ‘Pax Imperii’ is slechts een schijnbare vredessituatie omdat in de werkelijkheid een voortdurende oorlog heerst. Deze oorlog is een algemeen mondiaal verschijnsel en wordt best aangeduid met de term burgeroorlog. Het gaat niet langer om conflicten tussen soevereine staten maar tussen soevereine/of niet soevereine combattanten binnen één soeverein grondgebied. We kunnen hierbij denken aan het conflict tussen de Israëli en de Palestijnen, de onafhankelijkheidsstrijd van de Koerden, de verdrukte Rohinja’s in Myanmar, de Syrische burgeroorlog, het conflict in Jemen, burgeroorlog in Soedan, Oekraïne, Venezuela…De conflicten zijn bijna te talrijk om op te noemen. Vaak gebeuren ze onder de uiterlijke schijn van een religieus conflict maar feitelijk zijn ze het signaal van een diepgaande historische verandering, van het aanbreken van een nieuw tijdperk. De vergelijking met de 17de eeuw dringt zich bijna automatisch op: toen ging het om de overgang van de middeleeuwen naar de moderne tijd, nu is het de verandering van de wereld van de moderne naar de postmoderne tijd.
Binnen die Empire bevindt zich de menigte als een soort van alternatief netwerk. Het Empire wordt beheerst door zijn eigen hiërarchieën maar door de globalisering ontstaan nieuwe vormen van samenwerking die zich over de naties en continenten uitstrekken en een onbeperkte ontmoeting mogelijk maken. De menigte is zo’n open en expansief netwerk waar in vrijheid en gelijkheid verschillen kunnen tot uiting komen. Het netwerk verschaft de middelen tot ontmoeting en tot gemeenschappelijke samenwerking. De menigte moet daarbij duidelijk onderscheiden worden van het volk, de massa en de arbeidersklasse. De menigte veronderstelt veelheid en verscheidenheid: “de menigte is een intern gedifferentieerd, meervoudig sociaal subject dat in zijn samenstelling en handelen niet op een identiteit of eenheid gebaseerd is, maar op datgene wat het gemeenschappelijk heeft.
Tussen Spinoza’s politieke filosofie en die van Hardt en Negri zit een verschil in tijdsgeest. Bij het begin van de moderne tijd was een maatschappelijke structuur vereist die paste bij de opkomende burgerij. Zij moest zich een plaats zien te verwerven tussen de absolute macht van adel en geestelijken. Het soevereine gezag van Spinoza betrof de vorming van de natiestaten waarin vrijheid en tolerantie moesten verworven worden. De huidige menigte komt uit de soevereine staten voort en kijkt vooruit naar wat voorbij de imperiale soevereiniteit ligt.
Net als tijdens de 17de en 18de eeuw is het probleem van oorlog terug, op een grotere en mondiale schaal. De onderdanen, gestimuleerd door de media, ervaren hierdoor angst wat door de politici beantwoordt wordt met meer politionele en militaire activiteit. De oplossingen van de moderniteit waarbij radicale vernieuwingen werden tot stand gebracht moesten resulteren in een democratie van iedereen. Het vernieuwingsproces gebeurde echter grotendeels vanuit een aristocratisch standpunt: tegen de machtsuitoefening van iedereen, tegen de democratie van singulariteiten en de menigte. Bepaalde groepen werden uitgesloten waardoor de voorbije revoluties kunnen geïnterpreteerd worden als een haperend en ongelijkmatig proces in de richting van absolute democratie. Eén van de belangrijkste kwesties daarbij is de representatie, het praktisch mechanisme dat een bestuur in de natiestaat moet mogelijk maken. De menigte wordt hierdoor tegelijk verbonden met het bestuur en ervan losgeknipt.
D’Holbach ontwikkelde het grootste deel van zijn politieke theorie na het schrijven van zijn metafysica en ethica. In navolging van Spinoza stelt hij dat mensen anderen nodig hebben voor hun zelfbehoud. Een samenleving die op de juiste manier is opgebouwd verenigt het verlangen naar veiligheid en welzijn. Mensen zijn slechts gedetermineerde producten van een materialistisch, fysisch universum: met andere woorden een deel van de natuur. Om hun geluk te verwezenlijken zullen mensen relaties aangaan en samen werken. Zijn ethiek bestond erin te bepalen de noden van de mensen vast te leggen en na te kijken op welke wijze ze die het best konden vervullen. Zijn politieke theorie is niets anders dan de verderzetting van zijn ethica. Samenwerking tussen de burgers en de overheid gebeurt onder de vorm van een sociaal contract omwille van dezelfde redenen. Zijn contract bestaat uit twee delen: het eerste deel is de afspraak tussen de individuen om elkaars welzijn te bevorderen, een contract of relatie dat nooit verbroken wordt, het tweede deel is een koning of een soeverein bestuur van vertegenwoordigers (la politique naturelle), een contract dat wel kan verbroken worden. Als het staatsbestuur de basisrechten van welvaart, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst niet kan garanderen dan heeft het volk het recht om in opstand te komen, om een revolutie op te starten. Dit standpunt komt overeen met dat van John Locke maar ook met dat van Spinoza als hij de politieke instituties ziet als de wil en de toestemming van het volk. Als het volk niet geregeerd wordt door de rede maar door passies dan heeft het recht op revolutie. We merken hier dat ook D’Holbach uitgaat van de liquiditeit van politieke instellingen en de mogelijkheid van de menigte om hun natuurlijke rechten terug op te eisen. De belangrijkste belemmeringen van welzijn en geluk zijn volgens D’Holbach absolutistische monarchie en het christendom, door hun bezitters geclaimd als oneindig. Het welzijn van alle mensen moest volgens hem de basis vormen van de staatsinrichting en de staatsorganen. De publicatie van zijn ‘Système de la Nature’ hielp de radicale verlichtingsgedachte verspreiden en heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de revolutie van gedachten en feiten die aan de Franse revolutie voorafgingen. Hij verdedigde de notie van een juiste of rechtvaardige staat, door hem een ethocratie genoemd die gebaseerd moest zijn op het algemeen welzijn. In zijn werk over deze ‘Ethocratie’ schrijft hij:”l’état le plus heureux et le plus considéré cela toujours celui qui renfermera le plus grand nombre des éclairés.”
De verlichtingsdenkers van de 17de en de 18de eeuw beseften dat democratie een radicaal en absoluut gegeven is waarbij een regering van iedereen door iedereen is vereist. De radicale denkers die ik heb besproken, namelijk Spinoza, Rousseau, Condorcet en D’Holbach realiseerden zich
De titel van mijn werk, schrijven met witte inkt verwijst naar Hélène Cixous, een feministische auteur, literatuurcriticus en filosoof. Zij is een vertegenwoordiger van de post-structuralistische filosofie, beïnvloed door Jacques Derrida, Jacques Lacan en Sigmund Freud. Zij gaat er van uit dat er een correlatie is tussen seksualiteit en communicatie en is van mening dat we behoefte hebben aan een vrouwelijke manier van schrijven om een tweede stem te hebben naast de andro-centrische. Ze noemde dit schrijven met witte inkt, naast de zwarte die vooral uit de mannelijke pennen vloeit. Het belang van taal en communicatie, waar zij zo de nadruk op legt voor de vorming van de identiteit van de multitude, vond ik een mooie basis om te gebruiken bij de uitwerking van deze paper. Verder staat wit uiteraard symbool voor de tabula rasa, de zuivere kleur van een nieuw begin. Toon Telgen liet de gedichten van zijn vader opschrijven in witte inkt, vandaar dat ik eindig met een gedicht van hem uit de bundel hemels en vergeefs. Hieruit moet blijken dat het gaat om wij, de veelheid, de multitude…
.

.


|
VRIJE WIL De Verlichting met als gids ‘Willen’ van Hannah Arendt |
Bernadette Meeus
|
Ik schiep u als een wezen, hemels noch aards
en noch sterfeInleiding
Toen we tijdens de inleiding van het hoorcollege Wijsbegeerte van de Nieuwe tijd vernamen dat het centrale thema van de cursus rede, fictie, autonomie en macht was, kwam ik bijna onmiddellijk tot het besluit dat ik iets wou uitwerken rond autonomie en vrije wil. De reden voor deze snelle beslissing mag je toeschrijven aan de turbulente samenleving waarin we vandaag leven en de parallel die we kunnen vaststelling tussen de periode van de verlichting en de hedendaagse tijd. Net als toen veranderden de machtsverhoudingen en net als toen heeft de kosmologie en de wetenschap diepgaande wijzigingen ondergaan. Deze wijzigingen beïnvloeden het wereldbeeld, zodat de zoektocht van de mens om de door hem opgebouwde cultuur een stevige grondslag te geven nooit eindigt. Marcilio Ficino, een Italiaans Renaissance filosoof, stelde trouwens dat de mens nooit vrede zal nemen met een bepaalde ordening van het sociale en culturele leven en zal blijven zoeken naar vernieuwing en vooruitgang. “Hij moet zich dan wel bewust worden van de scheppende vrijheid die zijn wezen kenmerkt en van de relativiteit en vergankelijkheid van alles wat hij tot dusver realiseerde.”(Wildiers, 1988, p. 18) Net zoals de filosofen van de verlichting zich moesten losmaken van de kosmologische achtergrond van de middeleeuwse cultuur, zullen wij ons in het westen moeten bevrijden van onze dominantiegedachte. Diverse auteurs beweren op dit ogenblik dat de rol van het westen grotendeels uitgespeeld is en dat de pionnen van de macht verschoven worden naar het Oosten. We kunnen er niet omheen dat de Arabische Lente, de opkomst van China, het machtsvertoon in Noord-Korea, Rusland en Turkije de kaarten van de wereldmacht flink dooreen geschud hebben. Deze veranderingen tonen goed de volgende stelling “De Europese naties, culturen en volkeren kunnen geen aanspraak maken op een onveranderlijke eeuwigheid”.
Samenlevingen blijken altijd al problemen gehad te hebben met veranderingen, zoals duidelijk wordt door het verhaal van veel verlichtingsdenkers. De vervanging van de heersende christelijk-aristotelische theologie en ethiek in de 17de eeuw door filosofie en wetenschap, met kennis ontleend aan de rede, verliep niet zonder slag of stoot. Heel wat denkers werden het slachtoffer van het wapen van de kerk tegen de verlichting, de censuur. Spinoza werd met de voor zijn tijd schokkende ideeën over de gevestigde machtsposities, kerkelijke autoriteit en wereldlijke instituties uit zijn joodse gemeenschap gestoten. Heel wat van zijn werk werd uit angst voor vervolging pas na zijn overlijden gepubliceerd. Hij had het voorbeeld gezien van zijn vriend Adriaen Koerbagh. Deze kwam in Amsterdam in contact met de ideeën van Spinoza, Descartes en Hobbes. Als eerste in Nederland ontkende hij openlijk het bestaan van wonderen. Spinoza had dat binnenskamers al gedaan maar niet openlijk zoals Koerbagh. Toch weten we uit briefwisseling aan zijn vriend Heinrich Oldenburg, secretaris van de Royal Society, dat hij de schepping verwierp. In een zinssnede die ontleend lijkt aan Delmedigo’s ‘Verborgenheden der wijsheid’verwierp Spinoza de schepping en de eindigheid van de wereld:
“Maar mijn beste vriend, bedenk dan toch dat mensen niet geschapen worden, doch alleen gegenereerd (generari) worden, omdat hun lichamen van tevoren reeds bestonden doch op andere wijze gevormd (Brief 4)”
Na Koerbaghs veroordeling publiceerden veel vrienden van Spinoza anoniem of onder pseudoniem om onder de radar van de kerkelijke censuur te blijven. Nochtans waren de Nederlanden een voorloper inzake bevrijding en tolerantie. Het duurde echter nog tot het midden van de 18de eeuw voordat de kerkelijke autoriteiten hun zeggenschap over de censuur volledig verloren. Dit gebeurde vooral vanaf 1665, onder invloed van de verspreiding van wetenschappelijke tijdschriften zoals’ Journal des Sçavans’ en ‘Philosospical Transactions’. Het centrale thema van de verlichting waarbij de mens, met de woorden van Kant, uit de zichzelf verschuldigde onmondigheid moet treden, kan gezien worden als een willen denken. De verlichting ging evenwel over meer dan alleen vrij denken. Het rijk van de autonomie werd geopend om de weg naar het ideaal van het geluk te vinden. De van nature goede mens moest zichzelf verlossen van zijn misvormingen. Met Spinoza’s woorden: zichzelf bevrijden van “drogbeelden en waanvoorstellingen van een somber en angstig gemoed”. Om zich van zijn slavernij te verlossen moet men “het licht van zijn verstand” gebruiken.
Het tijdvak van de Reformatie en de Verlichting vertonen veel gelijkenissen met de huidige tijd, zowel ideologisch als maatschappelijk. “Evenals nu werd ook toen een groot deel van de bevolking in zijn traditionele levenswijze bedreigd door revolutionaire veranderingen in de economische en maatschappelijke organisatie. En in het bijzonder werd evenals nu de middenstand bedreigd door monopolistische machten en de overheersing van het kapitaal en oefende deze bedreiging een belangrijke invloed uit op de geest en de wereldbeschouwing der bedreigde maatschappelijke sector door het persoonlijk gevoel van eenzaamheid en zinloosheid te versterken.” de moord op de redactie van Charlie Hebdo als een aanslag op de boegbeelden van mei ’68, oudere intellectuelen die zich afzetten tegen het gebruik van om het even welke macht om de vrijheid van het individu aan banden te leggen. Op deze manier is de religieus geïnspireerde moord een belangrijke politieke gebeurtenis. Het ideaal van laïcité dat door Charlie Hebdo werd uitgedragen is geen universele waarheid meer maar eerder een beperkt denkkader. “De verlichte mens die zichzelf vrij waant is een verwarde ideoloog die niet beseft dat zijn denken andere visies onderdrukt. (TB, p.16). De politieke aanslag op C.H. is ook een aanslag op de media die blijkbaar meer macht hebben om ideeën te verspreiden dan de staatsmannen. Vooral de nieuwe media bepalen met wie mensen zich verbonden voelen en met wie ze contact willen hebben.
De moderne mens ervaart dat het verleden niet meer aangeeft hoe de toekomst er moet uitzien. Dit is totaal anders dan wat Machiavelli in zijn Discorsi aanbeveelt, namelijk dat het verleden de weg aangeeft voor de toekomst. “Wijze mensen plegen te zeggen en niet zonder reden en niet ten onrechte, dat wie weten wil wat gebeuren gaat, kijken moet naar wat geweest is: want alle dingen die wanneer ook gebeuren in de wereld hebben een parallel in het heden”.
We merken vandaag dat de samenstelling van de Europese bevolking sterk veranderd is, de minderheid is veranderd in een meerderheid, zeker in sommige regio’s. Deze groeiende meerderheid heeft een andere geschiedenis dan de westerse en heeft een afkeer van de laïcité. We weten niet hoe we moeten omgaan met deze verandering. We missen zowel de capaciteit om de integratie mogelijk te maken als de zin om ze te realiseren. Ons koloniaal denken verhindert ons om tot op de bodem van de integratie te gaan omdat we niet weten waar we zullen uitkomen. We kunnen weinig optimisme tonen wanneer we vaststellen dat gerichte propaganda in België geboren Turken oproept om een dictator aan de macht te brengen en de zwakke democratie te herleiden tot totalitarisme. Amerikanen kozen een president die openlijk racistische en vrouwonvriendelijke standpunten verdedigt. De Russen laten zich (mis)leiden door het machtsvertoon van hun totalitaire president. Kim Yong Un houdt Noord-Korea in een militaire wurggreep. Populisme en machtsvertoon kunnen blijkbaar veel mensen verleiden en hebben schijnbaar meer aantrekkingskracht dan vrijheid. Nochtans verbergt de verheven retoriek, religieus of werelds, een fundamenteel vijandige tendens. De religieuze conflicten maken duidelijk dat god niet dood is voor een groot deel van de bevolking. De grote westerse leegte, zonder hoopgevende voorbeelden, herleidt de zoektocht van de mens naar geluk tot het individuele niveau. Het leven wordt dan veel meer dan een film die zich voor onze geest afspeelt. We moeten verantwoordelijkheid opnemen, vrij zijn. Het is een moeilijke vrijheid omdat we weten dat anderen ook vrij zijn en daar rekening moeten mee houden. We willen liever minder moeten beslissen en in hun wens om de banaliteit van het leven te overstijgen klampen mensen zich vast aan populistische waarheidsverkondigers. Dergelijke ontwikkelingen brachten mij ertoe te onderzoeken of vrijheid en autonomie mogelijk zijn en of mensen wel een vrije wil hebben en welke kracht van de wil kan uitgaan. Het beroert me hoe willoos mensen zich onderwerpen aan één of andere ideologie zonder zich hier vragen bij te stellen. Heeft de verlichting de hoop op autonomie en vrijheid ingelost of draait alles zoals Foucault het stelt om het discours, waarbij verzet en kennis altijd gerecupereerd worden door de macht. Zoals ik al stelde in de inleiding woedt de discussie over vrije wil nog steeds. De Duitse filosoof Markus Gabriel verdedigt de stelling dat we geestelijk vrij zijn omdat we levende wezens met een geest zijn. In ‘Waarom we vrij zijn als we denken’ verzet hij zich tegen het natuurwetenschappelijk wereldbeeld en tegen het neurocentrisme. Hij is het absoluut niet eens met Sam Harris boek ‘Free Will’Willen’ van Hannah Arendt. De manier waarop zij nadenkt over de wil heb ik aangewend in confrontatie met de behandelde verlichtingsfilosofen, meer bepaald Machiavelli, Bacon, Hobbes en Spinoza.
Als de wil bestaat dan is die voor Arendt ons mentaal orgaan voor de toekomst zoals het geheugen ons orgaan is voor het verleden. De wil bezit de kracht om zich bezig houden met dingen die niet aanwezig zijn voor de zintuigen en met dingen die nooit bestaan hebben en misschien nooit zullen bestaan. De behoefte om te willen is minstens even sterk aanwezig als onze behoefte om te denken.
Volgens H. Arendt ontbreekt in de Griekse filosofie de gedachte van de wil. Het Grieks heeft hier zelfs geen woord voor. De idee van de wil doet zijn opkomst met het verschijnen van het christendom: “gij zult niet doen, gij zult willen”. Het christendom spreekt expliciet van ‘mensen van goede wil. Dit betekent dat men de wil en de wet van god niet passief volgt maar ze actief wil volgen. Men gaat zich vrijwillig aan de wetten onderwerpen. Deze onderwerping als een vorm van slavernij, wordt hevig bestreden door Spinoza en later ook door Nietzsche. Ik citeer uit het Theologisch Politiek Tractaat van Spinoza:
“Wij komen hierdoor immers gemakkelijk tot het oordeel dat zij (de Schrift, mijn toevoeging)) niets anders dan gehoorzaamheid van de mensen vergt, en alleen weerspannigheid veroordeelt, niet onwetendheid.”.
In het christelijk willen ontwikkelt zich een strijd tussen willen en niet willen: elke wil roept een tegen-wil op en zorgt voor verscheurdheid. (Arendt spreekt van willen en nillen).Het christelijk wilsbegrip heeft een theologische herkomst en heeft geworsteld met de verzoening tussen de Griekse kosmologische opvatting en de heilige schrift. Als de kosmos het werk is van een schepper dan wordt de studie van de natuur een religieuze aangelegenheid. De christelijke moeilijkheid, namelijk het verzoenen van de alwetende en almachtige god en de predestinatieleer met de vrije wil overleeft tot in de Moderne tijd. De diverse filosofen die we tijdens de les besproken hebben worstelen allemaal met dit probleem. “ofwel denkt men dat de vrije wil botst met de wet van de oorzakelijkheid, ofwel acht men geen verzoening mogelijk tussen de wil en de wetten van de geschiedenis, waarvan de zinvolheid afhangt van de vooruitgang of van een noodzakelijke ontwikkeling van de wereldgeest.” een onmiddellijk gegeven van het bewustzijn is bestaat er veel argwaan tegen. Dit is een gevolg van de band die er bestaat tussen wil en vrijheid. Aanname van vrijheid betekent dat het ook allemaal anders had kunnen lopen, dat het feitelijke en het noodzakelijke niet samen vallen. De westerse cultuur en de filosofie hebben het hier erg moeilijk mee. De reden hiervoor is te vinden in de typisch menselijke ervaring, in de terugblik of de reflectie verschijnt het verleden als een noodzaak. De onomkeerbaarheid van de gebeurtenissen doet ze verschijnen als veroorzaakt door het noodlot. De wil is voor sommigen dan ook een illusie omdat er geen sprekend bewijs kan voor gevonden worden.
Immanuel Kant heeft de aannemelijkheid van beide posities kunnen verzoenen. Hij maakt een scheiding tussen de a-prioricategorie, de causaliteit waar de natuurwetten aan het werk zijn en de noumenale wereld waar de vrije wil toe behoort. Deze noumenale wereld wordt bedacht door de rede als een niet natuurlijke oorzaak. Deze ingreep is noodzakelijk om de zinvolheid van het ethisch handelen te vrijwaren. Toeval wordt de prijs die moet betaald worden voor de vrijheid, de erkenning dat het ook anders had kunnen lopen.
Spinoza definieert vrijheid als de absolute zelfbepaling, het bestaan vanuit de noodzaak van de eigen natuur. De menselijke vrijheid bestaat uit het inzien en het beamen van deze noodzaak. In die zin bereidde hij de weg voor de rationalistische stroming van Kant waarbij de vrijheid ook van intellectuele aard is. De wil als onafhankelijk van de zintuiglijke drijfveren mag zich alleen door de rede laten leiden. De wil geeft gehoor aan de categorische imperatief en gaat dan over de goede wil.
Hoewel er in de Griekse traditie geen woord was voor de wil, heeft volgens H. Arendt Aristoteles de houding van de filosofie tegenover de wil fundamenteel bepaald. Alles wat kan zijn had evengoed niet kunnen zijn, alles wat gebeurd is had even goed niet kunnen gebeuren. Aristoteles spreekt van kata symbebêkos( accidenteel, contingent) wat verschilt van hypokeimon, dat wat door kans of toeval is toegevoegd. Als er een vrije wil bestaat dan is er nauwelijks iets méér contingent dan handelingen die gewild zijn. Met een vrije wil had men deze handelingen zowel niet als wel kunnen stellen. In die zin is een niet vrije wil een contradictie, anders beschouwt men de wil als een ondergeschikt orgaan van de rede of de begeerte. Alles wat door het handelen ontstaat is vrij, omdat het evengoed niet had kunnen zijn. Op zijn regel ziet Aristoteles als uitzondering dat wat de mensen maken, wat Arendt in de Human Condition benoemt met menselijke artefacten. De ambachtsman voegt bestaande materie en bestaande vorm samen om er iets nieuws van te maken maar het model is al aanwezig in de geest. In “potentie” bestaat het al. Hetzelfde begrip zullen we ook terug vinden bij Spinoza als hij spreekt over de “potentia”, dat wat in de kiem al aanwezig is. Maar door deze opvatting wordt de toekomst als een authentieke dimensie van de tijd ontkent; de toekomst vloeit dan onvermijdelijk voort uit het verleden. Aristoteles spreekt enkel van pro-airesis, de keuze tussen twee mogelijkheden. Hij spreekt dus niet van vrijheid noch van vrije wil. Dat het wilsbegrip nooit een discussieonderwerp geworden is in de filosofie van Socrates, Plato en Aristoteles heeft te maken met hun circulair tijdsconcept. Elk ontstaan veronderstelt een nieuw ontstaansproces en dus definieert Aristoteles de tijd als de meetbare maat van beweging ten aanzien van een voor en een na. (Aristoteles, Physica, IV,11) Menselijke aangelegenheden zijn aan een terugkeer onderworpen. De christelijke filosofie brak met dit cyclische tijdsconcept omdat er een begin (de schepping door god) en een eindpunt (de Apocalyps gevolgd door de wederopstanding uit de dood) werd verondersteld.
Volgens H. Arendt is het innerlijke gegeven van een ‘ik wil’ een bewijs van het bestaan ervan. Dit wilsvermogen werd volgens haar ontdekt en deze ontdekking kan gedateerd worden. Ook het begrip vrijheid is veranderd van inhoud en geëvolueerd van een politieke status, de vrijheid als burger en de lichamelijke bewegingsvrijheid) naar een innerlijke staat om zich vrij te voelen. Met de woorden van Arendt gaat deze vrijheid om een mentaal artefact. Het begin van het wilsconcept moet volgens Arendt gesitueerd worden bij de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen en eindigt met Duns Scoutus die de positie van Thomas van Aquino onder de loep neemt. Duns Scotus was een heftige verdediger van de vrije wil die hij verklaarde door het feit dat men ook iets anders had kunnen doen, dat er andere mogelijkheden zijn. Volgens Deleuze ligt in de scotistische ontologie de ontkenning van de transcendentie besloten, zodat Duns Scotus de voorloper is van het denken van de immanentie van een Spinoza en Nietzsche.
In principe zouden we in de Moderne Tijd, de wil, als mentaal orgaan voor de toekomst, moeten ontmoeten, omdat het belangrijkste concept de notie van de vooruitgang is. De klemtoon lag op de toekomst en toch was de argwaan tegenover het wilsconcept erg groot. Mensen hadden weerzin tegen het besef dat ze zonder een goddelijke voorzienigheid hun lot in eigen handen zouden moeten nemen. Ze kregen een grote verantwoordelijkheid toegekend omdat de dingen louter van henzelf zouden afhangen. Met de woorden van Kant: “even groot was de verlegenheid van de speculatieve rede, wanneer ze geconfronteerd werd met de kwestie van de wilsvrijheid, een macht om spontaan een serie van opeenvolgende dingen of toestanden te beginnen.”. Voor Hobbes worden mensen gedreven door hun verlangen tot zelfbehoud. Alleen in de denkbeeldige natuurtoestand zijn mensen vrij. De natuur van de mens bepaalt dat mensen gedreven worden door hun verlangens of begeertes. In die natuurtoestand blijft god een rol spelen ondanks Hobbes materialistische opvatting over de werkelijkheid. Een vrije wil bestaat volgens hem niet omdat men er zich geen voorstelling kan van maken. Gehoorzaamheid aan de soeverein aan wie men zijn vrijheid afstaat is belangrijk.Spinoza dacht inzake vrije wil in dezelfde richting. In zijn steenmetafoor ontmoeten we de volgende zin:
“Laten we, om dit duidelijk te begrijpen, ons iets heel eenvoudigs voostellen. Een steen bijvoorbeeld krijgt door een uitwendige oorzaak die hem een stoot geeft, een zekere hoeveelheid beweging die maakt dat hij later, wanneer de stoot van de uitwendige oorzaak ophoudt, noodzakelijkerwijs zal voortgaan zich te bewegen. Dit volharden nu van de steen in de beweging is gedwongen, niet omdat het noodzakelijk is, maar omdat het bepaald moet zijn door de stoot van de uitwendige oorzaak. Stel u nu verder voor, als ge wilt, dat de steen, terwijl hij voortgaat zich te bewegen, denkt en weet dat hij zich zoveel mogelijk inspant zijn beweging voort te zetten. Dan zal deze steen, aangezien hij zich alleen van dit pogen bewust is en daarin volstrekt niet onverschillig, toch zeker denken dat hij volkomen vrij is en om geen andere reden in zijn beweging volhardt dan omdat hij dat wil! Welnu, dit is dan die befaamde menselijke vrijheid, waarop allen zich beroemen, en die alleen hierin bestaat dat de mensen zich van hun begeerte bewust zijn, terwijl ze de oorzaken waardoor ze gedetermineerd worden niet kennen.”
Spinoza ontkent hiermee het bestaan van de vrije wil. Hij is een incompatibilist die het determinisme accepteert en de vrije wil afwijst. Hij is hier ongetwijfeld beïnvloed door zowel de reformatie als door de Joodse theologie. Alleen god wordt niet gehinderd door oorzaak en gevolg. Wilsvrijheid behoort dus niet tot de fysieke werkelijkheid en kan met de natuurfilosofie, die Spinoza zo kenmerkt, niet verklaard worden. Met zijn Deus Sive natura geeft hij de gedachte van een vrije wil volledig op. Hij doet dit ook zeer duidelijk in zijn Ethica: ”De ervaring leert dus niet minder duidelijk dan de rede dat de mensen zich alleen vrij wanen, omdat zij zich bewust zijn van hun handelingen, doch de oorzaken waardoor die worden bepaald niet kennen; en voorts ook dat de besluiten van de Geest niets anders zijn dan de begeerten zelf”
Hobbes en Spinoza aanvaarden dus het bestaan van de wil als subjectief gevoeld vermogen maar ze ontkennen de vrijheid ervan. Ze erkennen dat mensen iets kunnen doen wat ze willen onder de voorwaarde dat er geen uitwendige belemmeringen zijn. Indien dit wel het geval is, bijvoorbeeld wanneer men aan zijn bed gekluisterd is of zich in de gevangenis bevindt, dan verlangt men naar de macht om te bewegen. Dit stemt overeen met de Griekse positie over deze materie. Ook zij zagen vrijheid als de mogelijkheid tot handelen. Voor Hobbes zijn vrijheid en noodzaak verenigbaar met elkaar, zoals het water dat vrij is om te bewegen maar altijd stroomafwaarts naar de zee toevloeit. De menselijke wil heeft zijn oorsprong in een oorzaak, die ook weer een oorzaak heeft en ontspringt aan een noodzaak. Hobbes veronderstelt dat als men het oorzakelijk verband kan zien dat men dan de noodzakelijkheid inziet. Als het geheel kan opgesplitst worden in de samenstellende delen kan het verklaard worden. Dezelfde redenering zullen we later bij Schopenhauer terug vinden. In zijn hoofdwerk, ‘De wereld als wil en voorstelling’ getuigt hij van de illusie van de wil. Net als Hobbes ontkent hij de vrijheid van de wil, hij beschouwt hem als een redeloze, lage, blinde, niets ontziende drift. De kunst bestaat erin om aan deze drift te ontkomen.
Bij de studie van het wilsvermogen in de Nieuwe Tijd valt het op dat dezelfde ontkenning wordt teruggevonden in de moderne bewustzijnstheorie en de hedendaagse neurowetenschappers. Ook voor hen is alles wat wij willen gedetermineerd. De wil is geen vermogen, zoals Descartes dit stelde, er zijn alleen begeertes. Descartes beschreef de hersenen als een ingewikkeld systeem van buizen en kleppen voor het rangschikken van de animale geest naar bepaalde zenuwen, wat vervolgens leidt tot het stellen van bepaalde acties. Op die manier zijn enkel nog onze hersenen verantwoordelijk voor onze acties. Volgens Markus Gabriel kunnen we ons ik niet gelijk stellen aan onze hersenen “aangezien de hersenen ons enkel een buitenwereld voorspiegelen, aangezien we eigenlijk de werkelijkheid zelf niet kunnen kennen, maar alleen de mentale beelden die de hersenen ervan maken. Ons hele geestelijke leven zou dan een soort illusie of hallucinatie zijn.”Hij doet in zijn boek een pleidooi voor de geestelijke vrijheid en zet zich af tegen het neurocentrisme en het naturalisme dat hij als de voorbereiding ervan beschouwd. De naturalistische metafysica gebruikt een verouderd natuurbegrip. Het leek in de Nieuwe Tijd alsof Newton (en later Einstein) zouden volstaan om het volledige universum in beeld te brengen, maar de kwantummechanica heeft dit onderuit gehaald. Niet zekerheid maar onzekerheid is een intrinsiek kenmerk van de natuur. De werkelijkheid is een stochastisch systeem, onvoorspelbaar en willekeurig. Uiteraard schept dit ruimte voor vrijheid. Het tweede probleem is dat men zich niet meer met de geest maar met de mind bezig houdt. De geest is meer dan de mind: hij vormt zich zoals Hegel het stelde een beeld van de werkelijkheid om zichzelf een plaats in die werkelijkheid te verschaffen, een beeld dat het zelf overstijgt. Hierdoor is de geest geen ding onder de dingen en geestelijke vrijheid wordt verkeerdelijk geïnterpreteerd als herleidbaar tot biologische processen. Ons ik, het zijn, zou volledig verklaard moeten worden door de studie van onze hersenen. Het feit dat onze hersenen verantwoordelijk zijn voor ons bewustzijn betekent nog niet dat ons ik samenvalt met ons brein. De menselijke geest laat zich niet in de taal van de neurobiologie vatten.
De studie om met de vrije wil in het reine te komen heeft me naar veel verschillende wegen geleid en mijn vraag van het begin, namelijk waarom mensen zich altijd opnieuw onderwerpen en de vrije wil verwerpen, niet volledig kunnen beantwoorden. Het is duidelijk dat de moeilijkheid van de tijd, het verleden, het nu en de toekomst een hinderende factor zijn. Ik heb ook begrepen waarom dit principe in de filosofie nog steeds voor discussie en twijfel zorgt. De twijfel over het bestaan van de wil hangt net als Arendt schrijft, nauw samen met het specifieke vermogen van de wil om de toekomst in de geest aanwezig te stellen. Als men uitgaat van de idee dat alles voorbeschikt is dan wiegt het elke vorm van ‘ik wil’ in slaap. De aantrekkingskracht hiervan is groot want de dimensie van de toekomst wordt vernietigt en opgeslorpt in het heden. De toekomst als project wordt dan vernietigt. Het willen hult zich in ongeduld en kan alleen bedaard worden door een activiteit, door het handelen terwijl het zuivere denken afhangt van het niets doen. De wil heeft bovendien de macht van de negatie, een vernietigende kracht die evengoed kan uitmonden in een permanente vernietiging als in een oneindige vooruitgang. De angst hiervoor zorgt dat de mensen zich vastklampen aan voor hen uitgedachte kaders of aan waarheidsverkondigers die hun onzekerheid inkapselen. Zo komen we uit bij de bekende zin uit de ‘Dialectiek der verlichting’ waarmee we de cursus over de verlichting hebben opgestart: “Vanouds heeft de verlichting, in de meest omvattende zin van voortschrijdend denken, het doel nagestreefd bij de mensen de vrees weg te nemen en hen als heer en meester te laten optreden. Maar de volledig verlichte aarde staat in het teken van triomferend onheil.” Het is een apocalyptische uitspraak die ook opgaat voor de hedendaagse politieke situatie maar of dit enkel kan toegeschreven worden aan de verlichting en haar denkers durf ik te betwijfelen.
Arendt, H., 2016. Willen. 2 red. Zoetermeer: Uitgeverij Klement.
Aristoteles, 1999. Ethica. 1 red. Groningen: Historische Uitgeverij.
Beeckman, T., 2016. Door Spinoza's lens. Antwerpen: Uitgeverij Polis.
Beeckman, T., sd Macht en onmacht, een verkenning van de hedendaagse aanslag op de verlichting. sl:sn
Bergson, H., 2014. Tijd en vrije wil. 1 red. sl:Uitgeverij Boom.
Berting, J., 2006. De versplinterde samenleving. De gevolgen van modernitiet en modernisering in de 21ste eeuw. Delft: Eburon Uitgevers.
Bodifée, G., 1990. Ruimte voor vrijheid. derde red. Kapellen: Uitgeverij Pelckmans.
Dijn, H. D., 2010. Spinoza de doornen en de roos. 2 red. Kapellen: Pelckmans.
Finkielkraut, A., 2013. L'identité malheureuse. sl:Editions Stock.
Finkielkraut, A., 2014. Ongelukkige identiteit. Antwerpen: De Bezige Bij.
Fromm, E., 1941. De angst voor vrijheid. Utrecht: Bijleveld.
Gabriel, M., 2015. Waarom we vrij zijn als we denken. 1 red. Amsterdam: Uitgevrij Boom.
Harris, S., 2012. Free Will. 1 red. New York: Free Press.
Hobbes, 1968. Leviathan. London: Pinguin Books.
HVV, 2016. Gert De Nutte HVV Vrijzinnig Humanist denkt na over Charlie Bebdo. Dionysos, Februari, p. 54.
Jans, E., 2017. Een diasporisch denken zonder thuiskomst. Adorno en het beschadigde leven. [Online]
Available at: http://www.dewereldmorgen.be/artikel/2017/01/09/een-diasporisch-denken-zonder-thuiskomst-adorno-en-het-beschadigde-leven
[Geopend 15 Mei 2017].
Klever, W., 1995. Een nieuwe Spinoza. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
Klever, W., 1995. Een nieuwe Spinoza In veertig facetten. 1 red. Amsterdam: Uitgeverij Wereldbibliotheek.
Lindhardt, J., 2007. Machiavelli Een biografie. 1 red. Rotterdam: A.D. Donker.
Lippincott, K., 1999. Het verhaal van de tijd. Haarlem: Schuyt & Co.
Machiavelli, sd Discorsi. sl:sn
Machiavelli, N., 1997. Discorsi Gedachten over Staat en Politiek. 1 red. Amsterdam: Uitgevrij Ambo.
Medium Aevum, 2017. Ten geleide: Duns Scotus. [Online]
Available at: https://www.filosofie.nl/nl/artikel/32871/ten-geleide-johannes-duns-scotus.html
[Geopend 17 juni 2017].
Rotthier, R., 2013. De naakte perenboom. 1 red. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact.
Spinoza, 1997. Theologisch-politiek traktaat. Haren: Drukkerij Nauta bv, Zutphen.
Spinoza, B., 1979. Ethica. 4 red. Amsterdam: Uitgeverij wereldbibliotheek.
Spinoza, B., 1997. Theologisch politiek traktaat. 1 red. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
Spinoza, B., sd Briefwisseling. sl:sn

